Mastersite

Gepubliceerd op 29 maart 2010

‘Jeugdzorg heeft grote behoefte aan intensieve samenwerking tussen praktijk en wetenschap’

Geert Jan Stams nieuwe hoogleraar Forensische Orthopedagogiek

Gepubliceerd op 29 maart 2010
Geert Jan Stams: 'Vaak wordt beweerd dat praktijkgericht onderzoek aan minder strenge eisen hoeft te voldoen dan wetenschappelijk onderzoek, maar in mijn ogen zijn er geen twee verschillende soorten kennis'

Prof. dr. Geert Jan Stams is per 1 april benoemd tot hoogleraar Forensische Orthopedagogiek. Volgens hem zou in het werkveld veel meer standaard gebruik moeten worden gemaakt van goed gefundeerd, wetenschappelijk onderzoek. ‘Het komt nog steeds voor dat goedbedoelende hulpverleners denken te weten wat werkt en wat niet, puur op basis van eigen ervaring of intuïtie. De wetenschap op haar beurt, houdt zich te veel afzijdig van het werkveld. Die kloof tussen praktijk en wetenschap moet worden overbrugd.'

De Forensische Orthopedagogiek richt zich op ernstige gedrags- en opvoedingproblemen bij kinderen, jongeren en jongvolwassenen. Een belangrijk kenmerk van het vakgebied is, dat er sprake is van (dreigend) justitieel ingrijpen. Daarbij valt te denken aan (het voorkómen van) jeugddelinquentie, de strafrechtelijke invalshoek, maar ook aan de civielrechtelijke invalshoek, justitieel ingrijpen dat tot doel heeft ernstige bedreigingen van de ontwikkeling van kinderen op te heffen. Denk aan de ondertoezichtstelling. De Universiteit van Amsterdam (UvA) biedt als enige Nederlandse universiteit het masterprogramma Forensische orthopedagogiek aan. Vier jaar geleden zetten Peter van der Laan en Geert Jan Stams de minor Jeugdcriminaliteit en Justitieel Jeugdbeleid op, die al spoedig werd gevolgd door een nieuw masterprogramma op dit gebied: Forensische Orthopedagogiek. Per 1 april krijgt het vakgebied een eigen hoogleraar: Geert Jan Stams. ‘Een bekroning van onze inspanningen', vindt hij.

Hoe belangrijk was het dat de Universiteit van Amsterdam een minor en uiteindelijk een heel masterprogramma aanbood op het gebied van de forensische orthopedagogiek?
‘Dat was cruciaal. Juist dit vakgebied stelt speciale eisen aan onderzoek en onderwijs. De orthopedagogen die in bijvoorbeeld Justitiële Jeugdinrichtingen of bij Bureau Jeugdzorg en de Raad voor de Kinderbescherming komen te werken, hebben behoefte aan een andere "gereedschapskist" met specifieke kennis over dit vakgebied. Ze hebben meer dan andere orthopedagogen of psychologen te maken met een juridisch kader dat hun werk bepaalt. De orthopedagoog in het forensische veld moet vaak een risico-inschatting maken en een rechter baseert beslissingen mede op zijn of haar klinisch oordeel. Orthopedagogen moeten begrijpen wat het betekent om onder dwang hulp te verlenen en een diagnose te stellen bij complexe problemen die moeilijk aan te pakken zijn. Juist aan deze expertise ontbreekt het nog te vaak.'

Hoe ziet u uw rol als hoogleraar?
‘Het feit dat er nu een hoogleraar op dit vakgebied is benoemd, is een gevolg en bekroning van het werk dat Peter van der Laan en ik hebben verricht. Ik zie het als mijn taak om voortdurend verbeteringen in het onderwijs aan te brengen én om een belangrijke bijdrage aan de wetenschap te leveren op het terrein van de Forensische Orthopedagogiek. Dat alles moet uiteraard gebeuren in nauwe samenwerking met de praktijk.'

U maakt eigenlijk geen onderscheid tussen toegepast en fundamenteel onderzoek.
‘De Forensische Orthopedagogiek is een typische interventiewetenschap; je ontwikkelt instrumenten en toetst theorieën die je in de praktijk toepast, en andersom haal je je inspiratie ook uit de praktijk. Vaak wordt beweerd dat praktijkgericht onderzoek aan minder strenge eisen hoeft te voldoen dan wetenschappelijk onderzoek. Ik zie dat anders. In mijn ogen zijn er geen twee verschillende soorten kennis.'

Weg met de kloof tussen wetenschap en praktijk?
‘Absoluut! In de wetenschap geldt dat je bij interventie-onderzoek experimenteel onderzoek verricht, waarbij personen random aan een experimentele en controlegroep worden toegewezen. Dit is de gouden standaard. In de praktijk wordt te snel genoegen genomen met onderzoek waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een controlegroep, waardoor je uiteindelijk niet kan vaststellen of de interventie die je pleegt de oorzaak is van veranderingen die bij de cliënt zijn opgetreden. De urgentie om op een robuuste manier de effecten van jeugdzorginterventies te toetsen wordt mijn inziens nog onvoldoende gevoeld in de praktijk. Het komt nog steeds voor dat goedbedoelende hulpverleners denken te weten wat werkt en wat niet, puur op basis van eigen ervaring of intuïtie. De wetenschap op haar beurt, houdt zich te veel afzijdig van het werkveld. Die kloof tussen praktijk en wetenschap moet worden overbrugd. Ik schrik er vaak nog van dat er veel interventies worden gebruikt waarvan nooit is vastgesteld of zij werken, of erger nog, waarvan wetenschappelijk bewezen is dat zij een negatief effect hebben. Ik wil graag een bijdrage leveren aan veranderingen op dit gebied door met de praktijk samen te werken in wetenschappelijk onderzoek waarvan de resultaten in de jeugdzorg kunnen worden benut.'

Stuit experimenteel onderzoek op weerstand vanuit de praktijk?
‘Soms wel ja, dan wordt gezegd: maar het is toch onethisch om bepaalde jongeren een interventie te onthouden terwijl je die andere jongeren wel aanbiedt? Mijn antwoord is dan: je onthoudt de eerste groep helemaal niets, want je weet niet eens of de interventie werkt. Dát moet je eerst onderzoeken. Via dit soort onderzoek moet het kaf van het koren gescheiden worden. Er is nog altijd een wildgroei van interventies waarvan we niet weten of ze wel het juiste effect hebben. Daar moet hard in gesnoeid worden.'

Aan welke interventies moeten we dan denken?
‘Heel recentelijk nog hadden we "tuchtscholen" zoals Glenn Mills. Delinquente jongeren werd daar "discipline" bijgebracht op een militaristische manier. Maar er was geen gunstig effect op de recidivecijfers. Dat was ook niet te verwachten, want in Amerika was al lang in wetenschappelijk onderzoek vastgesteld dat zo'n harde aanpak niet werkte.'

Aan de ene kant ligt dat wellicht aan de praktijk die uit ervaring denkt te weten wat goed is, maar het politieke klimaat speelt vast ook een rol met de roep om de "harde aanpak".
‘Absoluut. De mensen die in de praktijk werken, zien ook steeds meer het belang van evidence based handelen in. De beslissingen van beleidsmakers en politici zijn veel lastiger. Het aardige is, dat eens in de zoveel tijd wordt beweerd dat de jeugd ontspoort, maar dat is iets van alle tijden. En altijd weer volgt dan de roep om de "harde aanpak", maar zo simpel ligt het niet.'

Wat moet er dan wél gebeuren?
‘Wil je recidive en criminaliteit zo veel mogelijk voorkómen, dan zul je de intensiteit van je ingrijpen moeten laten afhangen van het recidiverisico: hoe groot acht je de kans dat een kind nogmaals een winkeldiefstal pleegt of zich schuldig maakt aan een ernstig vergrijp. Kattenkwaad moet je niet criminaliseren, daarmee bereik je alleen maar dat normale kinderen in contact komen met "zwaardere gevallen", die een slechte invloed op hen uitoefenen. Ten tweede moet je proberen om de factoren in kaart te brengen en te beïnvloeden die crimineel gedrag in de hand werken: gebrek aan goede vrijetijdsbesteding, rondhangen met verkeerde vrienden, et cetera. Meestal moet op verschillende niveaus worden ingegrepen - individueel, in het gezin, op school en in de buurt - maar vaak wordt er maar één domein aangepakt doordat bijvoorbeeld instanties niet samenwerken. Ten derde: stem de interventie af op de specifieke eigenschappen van een kind. Je hebt bijvoorbeeld denkers en doeners en grote verschillen in intelligentie. Zo heeft het waarschijnlijk weinig zin om met een doener die verstandelijk beperkt is uren te gaan zitten praten over zijn of haar problemen.'

Kunt u voorbeelden noemen van onderzoek waarbij u betrokken bent (geweest)?
‘We hebben onder meer onderzoek gedaan naar de zogeheten Deltamethode bij de Ondertoezichtstelling. Daarbij probeert de gezinsvoogd actief om het gezin weer op de rails te krijgen, waarbij de veiligheid en ontwikkelingskansen van het kind voorop staan. Over enkele maanden rapporteren we over de uitkomsten van dit onderzoek. Ook werken we aan een onderzoek naar het terugkeerperspectief van delinquente jongeren in de samenleving. Een ander onderzoek betreft de manier waarop nieuwe jeugdzorginterventies in de praktijk worden geïmplementeerd. En verder hebben we een instrument ontwikkeld waarmee kan worden vastgesteld of er sprake is van een gebrekkige gewetensontwikkeling bij jongeren. We hebben gedragsdeskundigen getraind om dit instrument te gaan gebruiken. Bij al deze onderzoeken werken we intensief samen met de praktijk en bedenken we samen hoe we de onderzoeksresultaten het beste voor de praktijk kunnen benutten.'

Auteur: Esther van Bochove, afdeling Communicatie FMG

Bron: FMG Communicatie
|